Home

Raratonga

Konden wij reizen, gij en ik,
o geliefde mijn,
verre van nood en pijn,
op een broos getuigde brik
of een blanke brigantijn,
dan zouden wij saam, wij beiden,
de bevende zeilen spreiden
en stevenen, vredig en vrij,
de deemstering voorbij.

Aan een morgenlijke kust
zouden wij ’t anker haken,
en zalig ontwaken
smarten onbewust.

Louter azuur en zon-verloomd,
een blauw blazoen met goud doorboomd
glanst hier de zee: de aarde
met ooft en sappen mild,
bloeit welig wild,
in rood-koralen gaarde
praalt de bedaarde
rijk geschubde vis.
De nachten geuren bloemenfris.

Maar ach, wat zou geliefde mijn,
zonder nood, zonder pijn,
onze liefde zijn?

(F.Vercnocke)

Völuspá

1.
Luister naar mij, al jullie heilige verwanten,
Grote en kleine zonen van Heimdal!
Jullie willen dat ik de oude verhalen vertel,
O Vader van zieners, de oudste die ik ken.
2.
Ik herinner me reuzen, in de oertijd geboren,
Zij die mij langgeleden hebben grootgebracht;
Negen werelden herinner ik mij, negen levensbomen,
Vóór deze wereldboom zich uit de grond had ontwikkeld.

(uit “Völuspá“, vertaling Elsa-Brita Titchenell)

Over


Blog

Contact